Khutba 3 - Voorbeelden van de goede …

Khutba 3 - Voorbeelden van de goede achlaaq

Beste broeders en zusters,

Enkele metgezellen zaten eens bijeen in de afwezigheid van de Profeet (vrede zij met hem) onder hen waren Khalied ibnoe al-Walied, cAbd ar-Rahman ibnoe cAuwf, Bilaal en Aboe Dharr, terwijl deze laatste in een driftige bui was. Zij waren een bepaald onderwerp aan het bespreken. Aboe Dharr deed een voorstel met betrekking tot een strategische kwestie, hij zei: “Ik stel voor dat het leger zo en zo wordt opgesteld”, waarop Bilaal zei: “Nee, dit is een slecht voorstel.” Hierop zei Aboe Dharr: “Zelfs jij, O zoon van een zwarte (vrouw) komt mij verbeteren. Er is geen god dan Allah. Wie ben jij?”

Bilaal stond vervolgens op verbaasd, geschrokken en in een staat van grote woede en zei: “Bij Allah, ik zal de Profeet (vrede zij met hem) hierover informeren!” en hij vertrok vervolgens. Toen hij bij de Profeet (vrede zij met hem) aankwam, zei hij: “Heb jij niet gehoord wat Aboe Dharr over mij heeft gezegd?” Hij vroeg: “Wat zei hij dan?” Hij (Bilaal) zei: “Hij heeft zus en zo gezegd.” Het gezicht van de Boodschapper (vrede zij met hem) veranderde hierop van kleur en Aboe Dharr die reeds op de hoogte was gebracht van het beklag van Bilaal kwam de moskee binnenstormen en zei: “O Boodschapper van Allah, as-salaamoe calaykoem wa rahmatoellahi wa barakaatoeh.”

De Profeet (vrede zij met hem) was erg boos, zo erg dat zelfs werd gezegd: “Wij wisten niet of hij (de Profeet, vrede zij met hem) hem terug groette, of niet.” Hij zei: “O Aboe Dharr, heb jij hem uitgescholden vanwege het feit dat zijn moeder zwart is. Waarlijk jij bent een persoon die nog iets van Djaahiliyah (onwetendheid) in zich heeft!” Hierop begon Aboe Dharr te huilen en kwam naar de Profeet (vrede zij met hem), hij ging zitten en zei: “O Boodschapper van Allah, vraag vergeving voor mij, vraag Allah om mij te vergeven.” Daarna verliet Aboe Dharr huilend de moskee.

Hij vertrok en plaatste zijn hoofd op de grond voor Bilaal die kwam aanlopen. Bilaal die in de tijd van de Djaahiliyah niets voorstelde (in de ogen van de mensen) vanwege de heersende discriminatie. Die overigens compleet weggevaagd werd door de komst van de Islam. cOmar zei zelfs: “Aboe Bakr is onze heer en hij heeft onze heer (Bilaal) vrijgekocht.”

Toen Aboe Dharr zijn hoofd op de grond had, zei hij: “Bij Allah, O Bilaal, ik zal mijn hoofd niet van de grond optillen totdat jij erop stampt met je voet. Jij bent eervol en ik ben laag.” Bilaal begon te huilen van deze aanblik. Hij boog zich vervolgens voorover en kuste de wang van Aboe Dharr en zei: “Deze wang verdient het niet om met de voet gestampt te worden, maar verdiend het om gekust te worden.” Hierop stonden zij beiden op, omhelsden elkaar en huilden.

“Wa’l-hamdoelillahie Rabbi’l A’lemien.”